Biomassacontracten

Biogasproducenten kunnen biomassacontracten afsluiten met biomassaproducenten. Hierdoor wordt de aanvoer naar een installatie voor een bepaalde periode gegarandeerd en kunnen afspraken worden gemaakt over de te leveren kwaliteit. Hierdoor kan vaak ook biomassa worden afgenomen tegen lagere kosten per ton.

In de praktijk blijkt het echter lastig te zijn biomassacontracten af te sluiten. Redenen hiervoor zijn:

  • Prijsvorming. Door oplopende biomassaprijzen willen leveranciers geen langetermijncontracten afsluiten.
  • Afnamevolume. Producenten willen vaak de garantie dat een afnemer grote tonnages per maand afneemt. Alleen grote biogasproducenten kunnen dergelijke contracten aangaan.
  • Bestaande relaties. Er worden vaak geen nieuwe contracten gegund, om bestaande relaties niet te verstoren. Als het misgaat moet de leverancier immers vaak onder ongunstiger voorwaarden naar de oude afnemer terug.
  • Beschikbaarheid. Door overheidsmaatregelen (stikstof, melkquota) of door het gebruik van biomassa voor biobased toepassingen (mineralen, nutriënten) is er minder biomassa beschikbaar voor vergisting.

Financiering

Financiers stellen voorwaarden aan een biomassaproject. Het moet in ieder geval duidelijk zijn welke partijen de risico’s afdekken. De financier onderzoekt verder de aannames over investeringen en productie. Ook mag het project doorgaans geen grootschalige technische innovaties bevatten. Als succesfactoren gelden projecten die over hun eigen biomassa beschikken beschikken of biomassa voor langere tijd hebben gecontracteerd, afzet hebben voor restproducten en in staat zijn risico’s bij derden te leggen.

Aspecten van een business case waar een financier zeker naar zal kijken:

  • Wie geeft de garanties voor de technische prestaties?
  • Is de investering onderbouwd op basis van deugdelijke offertes?
  • Hoe wordt het geplande aantal draaiuren gehaald?
  • Is er zekerheid dat duurzame energie op het net kan worden geleverd?
  • Hoe hoog zijn de biomassakosten en welke garantie is er dat deze kosten niet verder zullen stijgen?
  • Welke factoren bepalen de waarde van de onderneming (SDE++, CO2-verkoop, biomassacontracten, erkenningen)?
  • Hoe worden verliezen opgevangen (bijvoorbeeld uit eigen vermogen, een moedermaatschappij of projectpartners)?

Bij de financiering van een biogasproject eisen banken dat de ondernemer een aanzienlijk deel van de financiering zelf regelt. De basis voor een rendabel project vormt doorgaans de SDE+-subsidie. Daarnaast is er een aantal aanvullende regelingen.

SDE++

De regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE++) bevordert de productie van duurzame energie. Subsidie van de overheid is nodig, omdat de productiekosten van duurzame energie (zoals groen gas) hoger liggen dan die van fossiele brandstoffen.

De SDE++ subsidieert alleen de zogenaamde ‘onrendabele top’ van duurzaam geproduceerd(e) gas, elektriciteit en warmte. Dit houdt in dat u meer subsidie ontvangt wanneer de prijs van fossiele energie daalt en minder subsidie wanneer deze stijgt. De regeling garandeert een vaste prijs voor de duurzame productie gedurende de looptijd van de SDE++ die voor groen gas over het algemeen twaalf jaar is. De regeling verleent subsidie per hoeveelheid geleverde energie.

Regeling Demonstratie energie-innovatie

De regeling Demonstratie energie-innovatie (DEI) is bedoeld voor innovatieve ondernemers die met hun project net voor de marktintroductie zitten. Het gaat om producten of diensten die energie besparen, duurzame energie opwekken of de toepassing van duurzame energie stimuleren. Een nieuw product wordt vaak als een risico gezien en acceptatie is niet vanzelfsprekend. Het demonstreren op ware schaal en in praktijkomstandigheden maakt dit makkelijker.

De DEI-regeling biedt financiële ondersteuning bij deze opschaling. Naast kosten voor demonstratie kunt u ook kosten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling opvoeren, maar de omvang daarvan is beperkt.

Topsector Energie: TKI Nieuw Gas

De regeling TKI Nieuw Gas van de Topsector Energie voorziet in een investeringssubsidie voor biogas- en groengasprojecten die door innovatie het SDE-basisbedrag structureel verlagen. U kunt bij de topsector een aanvraag doen waarin u de vernieuwende technologie beschrijft en een calculatie overlegt waaruit de SDE-besparing blijkt. Verder moet u aantonen dat de beschreven technologie breed in de markt bruikbaar is en aangeboden kan worden. Via de Topsector Energie kan een aanzienlijk deel van de investering worden afgedekt.

Regelingen voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (MIA en Vamil)

MIA staat voor ‘Milieu Investeringsaftrek’ en Vamil voor een ‘Variabele afschrijving op milieu-investeringen’. Het betreft twee verschillende regelingen. Met de regelingen kunt u fiscaal voordelig investeren in milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen en innovatieve milieuvriendelijke producten sneller op de markt brengen.

Via de MIA kunt u tot 36% van de investeringskosten voor een milieuvriendelijke investering aftrekken van de fiscale winst aanvullend op de reguliere afschrijving. Met de Vamil kunt u vervolgens zelf bepalen wanneer u deze investeringskosten afschrijft. Hoe snel of hoe langzaam bepaalt u zelf. Dat levert een liquiditeit- en rentevoordeel op.

Sinds 2014 is het niet meer mogelijk gebruik te maken van de MIA/Vamil-regeling als de ondernemer ook SDE+-subsidie ontvangt.

Milieulijst

Investeringen die in aanmerking komen voor de MIA en/of de Vamil staan op de Milieulijst. Bij de productie van biogas en groen gas of het gebruik van gecomprimeerd aardgas (CNG) of vloeibaar gas (LNG) kunnen een aantal investeringen in aanmerking komen voor belastingvoordeel.

Interessante link

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Als u een bedrag tussen € 2.401 en € 323.544 (2020) investeert in bedrijfsmiddelen voor uw onderneming, dan kunt u in aanmerking komen voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. De bedrijfsmiddelen waarin u investeert, moeten dan wel hiervoor in aanmerking komen.

Interessante links

Provinciale energiefondsen

De provincies hebben een stimuleringsbeleid voor duurzame vormen van energie in de vorm van energiefondsen. De fondsen beschikken over een aanzienlijk kapitaal. De provincies werken samen met bedrijven, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties.

De fondsen leveren met name een financiële bijdrage aan projecten die niet in aanmerking komen voor volledige reguliere financiering. Dat gebeurt bijvoorbeeld via participaties, leningen en garanties. Energiefondsen treden op als medefinancier.

Vergunningen

Wie een biogasinstallatie wil bouwen en exploiteren ontkomt niet aan het aanvragen van de nodige vergunningen.

De omgevingsvergunning (Wabo)

De omgevingsvergunning reguleert de veiligheid, de aanleg van milieuvoorzieningen en de administratie van biomassa en energie. Ze is een geïntegreerde vergunning die officiële machtigingen op het gebied van milieu, ruimte en bouw vervangt.

De gemeente geeft de omgevingsvergunning af. Bij uitzondering (bijvoorbeeld bij grootschalige installaties) kan de provincie de vergunningverlener zijn. Bij de aanvraag kan om een bodem-, geluid- en/of geuronderzoek worden gevraagd. De omgevingsvergunning valt onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Via het Omgevingsloket kan een snelle check worden gedaan naar de voorwaarden die gelden voor de beoogde locatie.

Het aanvragen van een omgevingsvergunning kost geld (leges). Het bedrag verschilt per gemeente en staat in de gemeentelijke legesverordening. Na het indienen van de aanvraag duurt het ongeveer een halfjaar voordat de omgevingsvergunning wordt afgegeven. Als derden in de tussenliggende periode bezwaar maken, kan de procedure enkele jaren in beslag nemen omdat na de bezwaarprocedure beroep mogelijk is bij de rechter.

Microvergister zonder vergunning

Sinds 1 januari 2016 is het eenvoudiger om een monomestvergister te plaatsen. Installaties die maximaal 25.000 ton mest verwerken vallen sinds deze datum namelijk onder het Activiteitenbesluit. Hierdoor kan met een melding Activiteitenbesluit worden volstaan en hoeft voor het milieudeel geen vergunning meer te worden aangevraagd. De aanvraag van een omgevingsvergunning blijft wel bestaan in verband met toetsing aan het bestemmingsplan en aan bouwvoorschriften. Het gaat dan om een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM). Voordeel hierbij is dat de milieuvoorschriften vooraf bekend zijn; deze zijn genoemd in het Activiteitenbesluit.

Voorwaarde is bijvoorbeeld dat maximaal 20 m3 biogas wordt opgeslagen en dat het zwavelgehalte in het biogas niet te sterk oploopt (tot maximaal 430 ppm). Verder mag uitsluitend mest worden gebruikt en moet het midden van de gasopslag minstens 50 m verwijderd zijn van een kwetsbaar object, bijvoorbeeld een burgerwoning van derden. Verdere informatie hierover is te vinden op de website van Infomil.

NVWA-erkenning

In een vergister worden miljoenen bacteriën gekweekt die nodig zijn voor de vergisting van biomassa. Tijdens het vergistingsproces ontstaan ook bacteriën die de volksgezondheid kunnen bedreigen. Om ervoor te zorgen dat deze bacteriën geen gevaar vormen voor de volksgezondheid, stelt de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) eisen aan de installatie en de bedrijfsvoering van een vergister. De controlerende instantie ziet toe op het aantal en het soort bacteriën die het digestaat bevat. Ter controle kan de NVWA monsters nemen van het digestaat.

Te allen tijde moet worden voorkomen dat het digestaat bacteriologisch wordt besmet door de aangevoerde mest. Besmetting kan worden voorkomen door de opslag van mest en digestaat strikt van elkaar te scheiden.

Afhankelijk van de gebruikte grondstoffen en het al dan niet exporteren van het digestaat kan het NVWA eisen dat een pasteurisatiestap wordt opgenomen in het (vergistings)proces. Een pasteurisatiestap doodt grote hoeveelheden bacteriën. De meest voorkomende manier van pasteuriseren is de mest of het digestaat minimaal een uur verhitten op 70 °C.

Meststoffenwet

Ieder bedrijf dat dierlijke mest aanvoert of produceert moet volgens de meststoffenwet een relatienummer aanvragen en een mineralenboekhouding bijhouden. Als meer mest wordt aangevoerd en geproduceerd dan er wordt afgevoerd, volgt een mineralenheffing. Ook de aangevoerde coproducten zijn een onderdeel van deze boekhouding. Digestaat uit de vergister kan worden uitgereden als in de vergister uitsluitend mest wordt vergist, of wanneer het digestaat bestaat uit mest met maximaal de helft aan producten die vermeld staan op de positieve lijst covergisting, bijlage Aa.

De lijst met toegestane cosubstraten is in april 2012 uitgebreid met de categorie G. In deze categorie staan tachtig producten die als covergistingsmateriaal mogen worden gebruikt. Voor de nieuwe producten gelden normen voor het maximumgehalte aan zware metalen en organische microverontreinigingen.

Verder moet bij mest(co)vergisting rekening worden gehouden met een aantal regels over het gebruik van de grondstoffen in de vergister. In alle gevallen moet minimaal 50% dierlijke mest worden gebruikt.

Interessante links

Vergisten van gescheiden mest

Als onbewerkte mest wordt gescheiden in een dikke en een dunne fractie, mag u de dikke fractie meetellen bij de 50% mest als u vervolgens die dikke fractie weer gaat covergisten. De dikke fractie valt dan immers nog steeds onder de noemer dierlijke uitwerpselen. Hierdoor kan het organischestofgehalte in een vergister relatief goedkoop worden verhoogd.

Opnieuw vergisten digestaat

Als bij monomestvergisting digestaat wordt gescheiden in een dikke en een dunne fractie, mag de dikke fractie meetellen bij de 50% mest (in het kader van de 50-procentseis bij mestcovergisting) als vervolgens deze dikke fractie opnieuw gebruikt wordt voor covergisten. Er verandert dan immers niets aan het feitelijke eindproduct. De mest wordt slechts gescheiden.

Als digestaat van een vergister die een input had van 50% mest en 50% bijlage Aa-producten” wordt gescheiden in een dikke en een dunne fractie, mag de dikke fractie niet mee geteld worden bij de 50% mest als vervolgens de dikke fractie weer in een covergister gaat. Digestaat valt immers niet onder de definitie van ‘dierlijke uitwerpselen’ in de Meststoffenwet.

Het is niet toegestaan om digestaat uit een covergister te gebruiken voor de eis van minimaal 50% dierlijke uitwerpselen. Er moet dus nog steeds ‘aan de voorkant’ minimaal 50% dierlijke uitwerpselen en 50% stoffen van de vergister om het digestaat als meststof te kunnen verhandelen.

Opstellen businesscase

De haalbaarheidsfase eindigt met het opstellen van een businesscase. Om tot een goede businesscase te komen is het noodzakelijk vergaand inzicht te hebben in de kosten en opbrengsten van:

  • De aan- en afvoer van biomassa
  • Gebruik en levering van energie
  • Noodzakelijke verzekeringen
  • De kosten van aan te vragen vergunningen en erkenningen
  • Investeringen en onderhoud
  • Analysekosten biomassa en emissies
  • Subsidies en fiscale regelingen
  • Personeelskosten, administratiekosten en accountantskosten.

Na deze inventarisatie kan er een businessplan worden opgesteld waaruit blijkt dat het project rendabel is. Het businessplan kan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Massabalans
  • Biogasberekening
  • Energiebalans
  • Winst- en verliesrekening
  • Opbouw investering
  • Cashflow over de economische looptijd.

Rekenmodel

Iedere businesscase en bijbehorend rekenmodel moet in feite per situatie worden opgesteld. Veelal is daar toch professionele ondersteuning voor nodig. In het kader van een Europees project is een boerderijschaal vergistingstool ontwikkeld. In dit model wordt op boerderijschaal en op basis van de aanwezige veestapel en mest snel een overzicht gegenereerd waaruit valt af te leiden of een businesscase interessant zou zijn. Naast deze tool zijn er meerdere tools beschikbaar in de markt.

Interessante links