Grondstoffenprobleem groter dan energieprobleem

Gepubliceerd op: 2 november 2015 No Comments
Annita Westenbroek is al ruim vijf jaar hét gezicht van het Dutch Biorefinery Cluster. In het cluster werkt een groot aantal industriële partijen samen afkomstig uit de agro-, zuivel-, diervoerder-, tuinbouw- en papiersector. Wat hen bindt is het geloof dat verduurzaming van de industrie samen gaat met economische groei. Maar dan moet er wel eenzelfde waardering komen voor biomaterialen als voor bio-energie.

 

Wat is het probleem?

“Tot voor kort heerste nog de lineaire manier van denken: van een boom maken we papier, van een aardappel zetmeel en van suikerbiet suiker. We hebben één grondstof, één product en een aantal reststromen. Soms worden deze reststromen ingezet als veevoer, soms wordt er nog energie van gemaakt. Maar vaak gebeurt er helemaal niets. In die reststroom zitten wél waardevolle componenten als eiwitten, mineralen en vezels, die met bioraffinage zijn te isoleren. Met de snelgroeiende wereldbevolking en toenemende welvaart in opkomende economieën, neemt de grondstofbehoefte toe. Het belang van bioraffinage de komende decennia is onomstotelijk. Maar de overheid geeft een andere prikkel.”

Hoe bedoelt u?

“Het doel van de overheid is: zo snel mogelijk de duurzame energiedoelstellingen halen. Dat is het criterium. Er wordt niet gekeken naar hoe dit zo efficiënt, rendabel of duurzaam mogelijk kan. Terwijl er voldoende kansen zijn om efficiënt en rendabel bio-energie te produceren. Maar er is momenteel geen incentive om rendabel te worden. Wetgeving verhindert zelfs de toepassing van reststromen, zoals het verbod op digestaat van mestvergisting als nutriënt. Zet je stromen direct in voor elektriciteit, voor warmte, of stop je het in het aardgasnet dan doe je het volgens de richtlijnen van de overheid goed. Deze werkwijze stimuleert de productie van biogas, maar slaat de waardevolle stap van valorisatie over. De subsidies kunnen flink omlaag als we een deel van de grondstof gebruiken voor hoogwaardiger toepassingen of de energie op een efficiëntere wijze benutten. Als biogas rechtstreeks aan de warmtekrachtcentrales van de industrie wordt geleverd, kan de kostbare opwerking tot aardgas achterwege blijven. Dat is pas efficiënt.”

Waarom pakt het bedrijfsleven deze handschoen niet op?

“Dat doen we juist wel. De industrie kijkt naar duurzame en rendabele toepassingen die niet direct omvallen als de subsidie wegvalt. Daar zijn de business cases op gestoeld. We zijn afhankelijk van een mondiale economie en dat wat de industrie doet, moeten in the end rendabel zijn.”

Wie moet dit dan oplossen?

“De overheid kan hier bijspringen. Wij zouden heel goed biogas kunnen gebruiken voor industriële processen, maar biogaslevering aan de industrie komt nog nauwelijks van de grond, terwijl dit wel efficiënter en rendabeler is. Terugleveren aan het aardgasnet is nu eenmaal veel makkelijker en sneller geregeld. De overheid kan een aantal maatregelen nemen. Denk aan stimuleringsmaatregelingen voor de meest efficiënte en rendabele initiatieven, investeringen in de pijpleidingen van een vergister naar een industrieel complex en afnamegaranties van restproducten. De industrie en de biogassector kunnen elkaar veel meer aanvullen. Er zijn nog zoveel slimme toepassingen te bedenken voor het gebruik van restwarmte, water en nutriënten.”

Overvraagt u de overheid niet?

“Nee. We doen geen groot beroep op de overheid. Die garantstelling kost geen geld en levert in het overgrote deel van de gevallen geen enkel probleem op. Het is veel goedkoper dan subsidies. Nogmaals, de industrie is zo georganiseerd dat langjarige contracten niet passen in een mondiaal speelveld. Bioraffinage is in veel gevallen nog niet helemaal rendabel dus investeert de industrie er niet in. Maar we kunnen wel stellen dat bioraffinage rendabeler is dan alleen bio-energieproductie. Als we dat meer kunnen stimuleren, dan gaan we echt toe naar een biobased economy met zowel valorisatie als energetisch rendement. Dat is pas ketenefficiency. Wat betreft het gebruik van bio-energie door de industrie liggen er tal van business cases op de plank die we morgen kunnen gaan uitvoeren.”

Geeft u eens een voorbeeld van zo’n business case?

“Biogas wordt al decennialang geproduceerd door bedrijven met een anaerobe waterzuivering. Smurfit Kappa Roermond Papier haalt meer dan 5% van hun energiebehoefte uit eigen biogas. Zonder subsidie. Zo is er meer mogelijk. Veel cases hebben echter een terugverdientijd van 5 jaar of meer. Ik ken een kartonfabriek die biogas gewoon affakkelt, terwijl ze het met een investering en een terugverdientijd van 5 jaar ook zelf kunnen gebruiken. Maar het gebeurt niet. Ondertussen investeert de overheid wel in kleine vergistingsinstallaties met een terugverdientijd van 20 jaar of meer.”

U wilt iets anders dan het Energieakkoord?

“We hebben een groter grondstoffenprobleem dan energieprobleem. Het Energieakkoord zorgt voor een locked in-effect. Biomassa wordt direct omgezet in energie. Er is daarmee 12 jaar lang geen stimulans het eerst te verwaarden, terwijl de vraag naar niet-fossiele grondstoffen verder zal toenemen. We hebben de food-for-fuel-discussie gehad die tot maatschappelijke beroering heeft geleid. Die zal ook komen voor alle grondstoffen, zolang er geen eerlijk speelveld is. Maar het is niet zo dat we het Energieakkoord per se willen openbreken, er moeten extra stimuleringsmaatregelingen komen. Zodat én de afspraken in het Energieakkoord worden behaald, én we werken aan een duurzame, efficiënte economie met voldoende grondstoffen en werkgelegenheid.”

Waar pleit u concreet voor?

“Exploitatiesubsidies voor rendabele projecten. Stimulering voor díe industriële projecten, waar met veel minder geld veel meer effect te behalen is en die uiteindelijk zonder subsidie ook economisch zullen blijven draaien. Kortom: we moeten naar een systeem met meer energetisch én economisch rendement uit biomassa, zodat we de waardevolle complexiteit van de natuur zoveel mogelijk benutten.”

U ijvert ook voor mestvalorisatie. Dat gaat in een moeite door?

“Ja, want daar speelt exact hetzelfde. Er liggen kansen voor bioraffinage in de vorm van mineralen, fosfaatkorrels, eiwitten en vezels. Wij bepleiten op de lange termijn voor grootschalige mestvergisting vanaf honderdduizend ton mest in samenwerking met de naburige industrie. Dan cluster je de mogelijkheden voor bioraffinage en bio-energie met een centraal regiepunt voor mestvalorisatie-initiatieven. We weten dat het kan. Mooi voorbeeld is de nieuwe Ecoson Biofosfaatfabriek in Son die in oktober 2014 werd geopend. Daar wordt uit dierlijke mest groen gas geproduceerd en een fosfaatrijke organische mestkorrel voor de toepassing in fosfaatarme landbouwgebieden.”